dinsdag 15 april 2014

Overwinteren in Spa

Uitzicht raam La Source (foto MDB)

Toren

‘Wanderer, kommst du nach Spa…’ is de titel van een kort verhaal van de Duitse schrijver Heinrich Böll. Hij is de auteur van een van mijn lievelingsromans ‘Ansichten eines Clowns’ of ‘Meningen van een clown’. Hierin rekent Hans Schnier, een clown op zijn retour, af met de hypocrisie van de naoorlogse Duitse samenleving. Zijn manager is genoodzaakt hem in alsmaar kleinere zalen te boeken. Hans Schnier logeert in steeds luiziger hotels. En fantaseert hoe de vrouw in de kamer naast hem, slechts van elkaar gescheiden door een dunne plaasteren wand, daar ook alleen ligt.
Onze clown is wanhopig verliefd op Marie. Waarvan ik mij altijd voorstelde dat zij een dun, breekbaar wezen is. Marie is echter op de loop met een of andere kerel. Hiervoor kreeg zij de goedkeuring van een invloedrijke geestelijke. Hans en Marie leefden tenslotte in boelschap. Het verhaal eindigt ermee dat Hans Schnier in het station van Bonn wacht op de terugkeer van Marie en haar echtgenoot. Terug van huwelijksreis in Rome. In het schaaltje dat hij voor zich op de grond heeft neergezet, schikt hij enkele Pfennigstukken en een sigaret.
Ik heb mij altijd afgevraagd wat in godsnaam de grote schrijver Heinrich Böll over het kleine stadje Spa zou weten te vertellen. Tot ik ontdekte dat Spa eigenlijk staat voor Sparta.
Böll schrijft een anti-oorlogsboek en verwijst naar de slag bij de Thermopylen.
‘Wanderer, kommst du nach Sparta, verkündige dorten, du habest uns hier liegen gesehn, wie das Gesetz es befahl.’ ‘Wanneer je naar Sparta reist, voorbijganger, vertel daar dat je ons hier hebt zien liggen. Wij deden wat ons was opgedragen.’
Vandaag zijn we hier met onze woonwagen neergestreken. We laten hem een gans jaar staan.
‘Dan kunnen we in de winter langlaufen en in onze woonwagen slapen,’ zegt Nomade. 
‘En op oudejaar meevieren in de Source,’ antwoord ik.
Ik verlang er al jaren naar om oudejaar in de Source te vieren. De Source ligt midden in de bossen. Vlak onder het veen. Het is een achttiende-eeuws vierkant gebouw dat je ook al op oude gravures terugvindt.
Maar wat de Source zo uniek maakt is Bruno. Hij is de uitbater. Maar laat zich zelden zien. Volgens de overlevering verstopt Bruno zich op oudejaar. Tot net voor middernacht. Wanneer het vuurwerk en de vreugdekreten uit de omliggende dorpen en het kleine stadje Spa zelfs tot in het midden van de bossen zijn doorgedrongen. Dan komt Bruno uit zijn appartement boven in de Source naar beneden. En onthoofdt hij eigenhandig de flessen champagne. Of hij heeft overdag, wanneer de Source nog eenzaam en verlaten is, een toren gebouwd van glazen. Die hij dan om vijf voor middernacht van boven naar beneden vult. Waardoor het heerlijke vocht zich als een waterval verspreidt.

maandag 3 maart 2014

Laten we het niet



Licht van de zon (foto MDB)

Laten we het niet hebben
over de duisternis
Noch over de diepte van de nacht
mijn vriendin.

O, wat verlang ik
naar het licht van de zomer
Het licht dat ons
in een roes brengt.

Je haren
de kleur van kastanje
Je ogen zacht als duiven.
Je mond zoet als honing.

Mijn vriendin
fluister mij toe
in de duisternis
in het diepste van de nacht.

zondag 23 februari 2014

O, Licht

Meeuwen over het water (foto MDB)


Wat houd ik van het tintelende
licht over het water
het vroege ochtendlicht
wanneer we samen wandelen.

Het licht dat warmte geeft
en de mensen naar buiten lokt.
Het licht in je honingzoete ogen.

Weer zien we de lange schaduwen
over het veld.
Onze eigen schaduwen langs het water.

De nacht slorpt langzaam het licht op.
En hult de stad in een donkerblauw kleed.
O, Licht wat ben je toch een wonderlijke verschijning!

zondag 26 januari 2014

La Colonne de Bronze



In alle seizoenen en op alle mogelijke manieren trokken wij naar het kleine stadje aan de Somme. Met de trein bijvoorbeeld. Vanaf de Franse grens stopte die in elke industriestad. Dan reed je langs eindeloze fabrieksmuren in rode baksteen.
Of we liftten. Reden dan langs het smalle kanaal tot in Duinkerken of Dunkerque, de stad van de kaperkapitein Jean Bart. We trokken te voet door de duinen. Tot we bij de grensovergang werden tegengehouden door ijverige Franse douaniers op zoek naar drugs.
Net zoals die keer dat we uit Hamburg op weg naar Nederland meereisden met twee Duitse jongeren in hun oude Mercedes. Aan de grens werden we tegengehouden.
‘Niets aan te geven?’ vroegen de Nederlandse douaniers. Ze maakten zich vrolijk over de bedenkelijke staat waarin de auto van onze gastheren verkeerde. Daarop begonnen de Nederlandse douaniers de wagen vakkundig te demonteren. Tot ik het hele gedoe niet langer kon aanzien en het stilzwijgen doorbrak.
‘Waarom maken jullie die auto onklaar?’ probeerde ik in mijn beste Noord-Nederlands.
‘Wij maken hem helemaal niet onklaar,’ antwoordde een van de douaniers ontstemd. Nu begon de miserie pas. We werden meegetroond naar het bureau. Naar onze identiteit gevraagd. Een knikje van de sympathieke Duitse jongeren maakte ons duidelijk dat zij het wel zonder ons zouden redden. Ze waren deze grensovergang en behandeling blijkbaar gewoon geworden.
Nadat de Franse douaniers onze bagage vakkundig hadden uitgebeend, mochten wij verder trekken langs de door de wind met zand bedekte landweg.
Van jou, Nomade, leerde ik dat het gebied waar wij doortrokken de Moeren heette en dat de Vlaamse schrijver Clem Schouwenaars zich daar had teruggetrokken. Hij woonde er eenzaam op een afgelegen boerderij. Wanneer hij behoefte had aan gezelschap trok hij naar het plaatselijke dorpscafé.
Meestal kwamen we op goed geluk in het kleine stadje aan de Somme aan. Een enkele keer in de herfst vonden we geen logies. We meldden ons bij het Office de Tourisme.
‘Il n’y a plus de place,’ werd ons duidelijk gemaakt. ‘Sauf,’ er weerklonk gegniffel, ‘dans La Colonne de Bronze.’
Op de ligging van La Colonne de Bronze viel niets aan te merken. Het hotel was gevestigd in de hoofdstraat van het stadje. Net achter de Quai Jeanne d’Arc. Een brede toegangspoort wees op een eerbiedwaardig verleden. We klopten aan. Een vurige vrouw opende de deur. Rond haar nieuwsgierige en giechelende meisjes.
‘C’est combien pour une nuit?’ vroegen we voorzichtig. ‘Soixante francs.’ We schrokken van de prijs. Komt het doordat de temperamentvolle vrouw onze ontzette blikken zag? Ze schoot alleszins in een Franse colère. En begon te schreeuwen.
‘Voulez-vous que je mette tout au feu ?’ riep de vrouw opgewonden uit.
We mochten blijven. Werden ingekwartierd in een kamer met een tinnen badkuip en een wandtapijt dat het bed van deze primitieve badkamer scheidde. Tegen de wand hing een in goud ingelijste spiegel. De spiegel was zo aangebracht dat hij elke beweging in het bed kon volgen.

zaterdag 25 januari 2014

Als je leest

Library of Arts - Ghent University

Wat ben je mooi
meisje met het boek op je hoofd.

Blonde vrouw met hond
als je leest wat ben je mooi.

En jij turende jongen met de bril
de mond half open.

Jongen met het engelenhaar
man in het ruimtepak, wat ben je mooi.

Eenzame man
de kop als een schildpad uit je jas.

Vrouw met het kind op de rug.
Afrikaans meisje, Aziatische man.

Als je leest in het licht op de trap
wat ben je mooi.