Nassereith (Tirol), 13 juni
We bevinden ons aan de voet van de Fernpass, de tweede Alpenpas op de Reschenroute. De oeroude verbinding tussen de Latijnse en de Germaanse cultuur. Door de Romeinen in het midden van de eerste eeuw van onze jaartelling uitgebouwd als de Via Claudia Augusta. Nassereith vormt een drievoudig knooppunt. Van hieruit kun je naar Italië, Zwitserland en Oostenrijk of Duitsland.
Misschien daarom dat de dorpskerk is gewijd aan de Drie Koningen: Caspar, Melchior en Balthazar. Hier en daar zie je, zoals elders in Tirol, boven de huisdeur met krijt geschreven: 20 C M B 24. Het jaartal waarop de dorpspriester op Drie Koningen het huis zegent.
We bezoeken in Nassereith het Fasnachtshaus. Dit kleine museum herbergt talloze maskers en kostuums die worden gebruikt tijdens de Schellerlaufen. Het is een oeroud, dagenlang durend rollenspel dat driejaarlijks door de dorpelingen wordt opgevoerd. En dat de strijd evoceert tussen de winter, gesymboliseerd door een vervaarlijk uitziende dierentemmer, en de beer die bij de eerste tekenen van de lente uit zijn winterslaap ontwaakt. Vreemd genoeg is het de beer die het haalt in de strijd tussen mens en dier. De beer als symbool voor de lente.
De Schellerlaufen zijn genoemd naar de figuren die dansen uitvoeren met als belangrijkste onderdeel van hun kostuum de reusachtige in het totaal meer dan 30 kilogram wegende bellen zoals koeien of schapen ze in de bergen dragen.
Jaren geleden zagen we in de Valle d’Aosta een soortgelijk museum gewijdaan het carnaval. Het leven in deze berggebieden is zo hard en de winters duren er zo lang dat de komst van de lente er uitbundig wordt gevierd. Met bezems worden de laatste restanten van de sneeuw weggeveegd.
Doordat in Tirol boerderij en erf niet zoals in andere gebieden naar de oudste zoon ging, maar werd verdeeld over de erfgenamen, wat doorging in de volgende generaties, kreeg je op de duur verarmde rondtrekkende Karner, zo genoemd omwille van de karren of woonwagens die ze zelf voorttrokken. Deze reizigers oefenden beroepen uit als bezembinder, ketellapper of paraplumaker. Ook als vogelhandelaar treden ze op. Een geromantiseerd beeld van de Tiroler vogelhandelaar vinden we terug in de gelijknamige operette 'Der Vogelhändler' (Carl Zeller, 1891). Of nog in de figuur van Papageno uit 'Die Zauberflöte' van Mozart (1791).
In zijn Italiaanse reis getuigt Goethe van rondtrekkende Tiroolse mannen. De auteur beschrijft tevens de armoede van de Zuid-Tirolers op het land. Zij vertonen een ziekelijk aandoend uiterlijk dat hij wijt aan hun voeding, hoofdzakelijk een mengsel van maïs en boekweit. Op zijn vraag aan de dochter van een herbergier in Bozen of er dan geen rijke boeren zijn, antwoordt deze: 'O jawel, maar die zullen op hun beurt wel eigen bazen hebben die hun geld weer van hen afpakken.'






