| Lucas Tavernier (foto's MDB) |
zondag 17 november 2013
zondag 10 november 2013
Nathalie
| Eik (foto MDB) |
‘Heb je de armen van die eiken gezien?’ zeg je terwijl we
langs het water wandelen. Ik kijk rond. En zie knoestige eikenbomen die ik
nooit eerder heb gezien. Hun stam lijkt wel in twee gespleten. Ze spreiden hun
takken uit als wilden ze wedijveren met de Erlkönig of de Wilgenkoning uit het
beroemde gedicht van de grote Duitse dichter Goethe.
In de bocht aan de overkant van het huis van Amélie was een
klein weggetje. De weg leidde naar eindeloze korenvelden. Daarlangs stonden
oude wilgenbomen. Daar op dat lange bochtige pad tussen de korenvelden met hun
klaprozen en blauwe korenbloemen ging ik ’s avonds lopen. Ik keek naar de avondzon.
Wat kon de zon hier mooi ondergaan! Zij was een rode bol die je almaar verder
naar de horizon kon zien zakken.
Overdag had diezelfde zon ons parten gespeeld. We hadden
immers de hele lange dag op het kleine strandje van het wonderbaarlijke stadje
aan de Sommemonding doorgebracht. Eigenlijk waren er twee stranden. Verder
langs het kanaal van de Somme had je ook nog la Ferté. Daar kon je enkel
geraken met een kleine sloep die je overzette. De strandgangers daar werden
door ons wat smalend ‘ceux de la Ferté’ genoemd.
Elke dag reden we met het hele gezin in de crèmekleurige
Ford van mijn vader naar het strand. We namen de bochtige weg in de richting
van het stadje. Eerst door een klein bos. Dan zag je de baai.
O wonderlijk schouwspel. Gezeten in de auto konden wij zien of
de flot was opgekomen en la Baie de Somme onder water had gezet. In het andere
geval keek je door de ruitjes van de auto naar een kilometers breed strand tot
aan de overkant van de baai.
Le flot. Hoe vaak heeft men ons hier niet voor gewaarschuwd.
En inderdaad. Wanneer wij het voorrecht hadden om moules de la baie te eten in
een klein restaurantje was dit met zicht op le flot.
Dan zag je in een razendsnel tempo de zee het land
binnenstromen door het kanaal van de Somme.
Een beeld zal ik nooit vergeten. Op een dag legden mijn
Franse vrienden hun zwembrevet af. Eén kilometer zwemmen in open water. ‘Un
kilomètre,’ zei Alain, een van de redders van ons kleine strandje. ‘Mais en
fait c’est avec le flot.’
Meedrijvend op de vloed die in een oogwenk de hele baai
onder water zette, was eigenlijk een koud kunstje. Tot de mist opkwam. De
redders die het hele gebeuren van het zwembrevet op touw hadden gezet in paniek
geraakten, hun indrukwekkende opblaasbare reddingsboot te water lieten en de
onfortuinlijke zwemmers tegemoet voeren.
Een voor een zag ik ze arriveren. Mijn Franse vrienden.
Nietig in hun minuscule zwemslip. Opduikend uit de mist. Gedragen door de
vloed. Angst in de ogen. De oudsten eerst. Zij die als in een Franse film op
straat of op het strand de meisjes met twee kussen verwelkomden.
Als laatste Nathalie. Het meisje van zestien. Met haar gele
bikini. Zwemmend naast de boot. Nathalie zoals in het lied van Gilbert Bécaud.
Nathalie de vrolijke spring-in-‘t-veld. Met haar donkere teint. En lange zwarte
haren. Droeg je een beugel? Dat weet ik niet meer. Ik weet alleen dat je op een
van die heerlijke eindeloze zomerdagen met een van de oudere jongens ver weg de
baai in was gezwommen. En hoe jij je daar op een verre zandbank lag te
koesteren als een jonge zeehond in de warme zomerzon.
maandag 4 november 2013
Rémy
| Schaduwen (foto MDB |
Wanneer ik dit schrijf glinsteren
de vruchten van de lijsterbes in het warme licht van de herfst. De lage stand
van de zon werpt lange schaduwen over het land. Nog nooit in mijn leven zag ik
een ijsvogeltje. Gisterenmorgen in alle vroegte zat het vogeltje aan de rand
van de vijver die wij onze troostplek noemen.
Wanneer ik terugdenk aan het huis
van Amélie in het gehucht Wathiéhurt komen mij allereerst de stokrozen voor de
geest. Stokrozen in alle tinten van roze, rood en wit stonden hoog opgeschoten voor
het huis. Het huis lag net voorbij de bocht. Voor het huis een grasperk met heerlijk
geurende rozelaars. Tegen het huis de stokrozen.
De allereerste keer dat wij er
kwamen werden we enthousiast verwelkomd door een witte poedel. Het hondje
sprong tegen het groen en wit geverfde hek. Voor het huis stonden Victor en
Amélie. Het huis was laag. Wit gekalkt. Met groene ramen. We deden de tour du
propriétaire. Naast het huis in een klein wit geverfd gebouwtje het toilet met een houten bril. Boven op de
beerput. Daarachter een lange, verwilderde tuin.
De vloer van het huis bestond uit
koude vierkante tegels. Als je binnenkwam links een opkamertje. De woonkamer.
Een minuscule keuken waar mijn moeder later ons lievelingsgerecht, zijnde warme
kip met perziken, zou klaarmaken. Twee slaapkamers met in de ene een
reusachtige door het vocht aangevreten spiegel.
In die slaapkamer kon ik mij
terugtrekken. Dromend van Jazz Bilzen en andere heerlijkheden waar ik nooit een
voet zou zetten. Alsook in het kille gebouwtje met de houten WC-bril recht boven
de beerput. Daar las ik in de krant La Voix du Nord. Bestudeerde er de
plaatselijke sportmanifestaties en droomde ervan ooit aan een daarvan te kunnen
deelnemen.
In la Voix du Nord moet mijn
vader een bericht hebben gelezen over een zanger Rémy die op een avond in een
van de andere onooglijke dorpen in de buurt zou optreden.
Op die bewuste avond reden wij
met de Ford Taunus van mijn vader in het volstrekte duister over de wegen van
Pas-de-Calais. We staken een onbewaakte overweg over en kwamen in een
parochiezaaltje terecht. We namen plaats op een van de lange banken die in
rijen stonden opgesteld. De zanger Rémy bracht zijn repertoire met akoestische
gitaar. Daarna kon wie dat wilde een 45-toerenplaat kopen waar Rémy dan zijn
handtekening op zette. Met zwarte stift schreef Rémy in grote letters: ‘A Devos’.
Later belandde het plaatje in de
sixties verzamelhoes naast de liederen van Sheila, Mireille Mathieu en
Salvatore Adamo.
De geur van het huis van Amélie daar
in het onooglijke gehucht Wathiéhurt zal ik nooit vergeten. Het was een geur
van vocht en beslotenheid. Het huis stond immers in de lange donkere
wintermaanden leeg. Alleen in de zomer werden de groene luiken geopend. Waaide
een frisse wind door het huis en schoten voor de witgekalkte gevel de rozerode
stokrozen zo hoog op als zij maar konden.
zaterdag 2 november 2013
Amélie
| Herfst (foto MDB) |
Hoe ik ook mijn best doe, soms schroeft de herfst mijn hart dicht als een bankschroef. Dan helpt het om terug te denken aan een vrolijke zomer. De zomers bijvoorbeeld die ik samen met mijn ouders doorbracht in Wathiéhurt.
Ik moet een jaar of veertien
geweest zijn toen wij daar voor de eerste keer naartoe trokken. In Wathiéhurt stond
het ouderlijk huis van Amélie. De vrouw had samen met mijn moeder op een kamer
gelegen in het Academisch Ziekenhuis, toen mijn moeder om voor ons
geheimzinnige redenen twee weken in die kliniek had doorgebracht. Amélie kwam
uit het noorden van Frankrijk, kende geen woord Nederlands en was maar al te
blij dat mijn moeder samen met haar op een kamer lag.
Uit die vrouwelijke verbondenheid
is een hechte vriendschap gegroeid. Zo hecht dat op een dag Amélie samen met
haar man Victor bij ons kwam logeren.
Wij woonden toen in een kleine, uit
rode baksteen opgetrokken woning in een lange rij van gelijksoortige huizen.
Beneden de voorplaats. Daarachter de living. Met het grote licht. Dat we maar
in hoogst uitzonderlijke omstandigheden mochten aansteken. Bijvoorbeeld wanneer
Victor en Amélie op bezoek waren gekomen. Een kleine keuken waar tegen het
plafond de was te drogen hing. En een tuintje met een stalletje waar mijn vader
zich op zaterdagnamiddag in terugtrok.
Boven een overloop die eindigde
in een badkamer met bidet. Links de slaapkamer van mijn ouders. Rechtdoor die
van mij en mijn vijf jaar jongere broer. Naast de badkamer bevond zich de kamer
van mijn twee oudere zusters. Zij sliepen in een zwart gelakt metalen
stapelbed.
Waren mijn zusters al het huis
uit? Of werd bij de komst van Victor en Amélie het hele huishouden door elkaar
gesleurd? Dat kan ik mij niet meer precies herinneren. Alleen weet ik dat ik
eensklaps boven op het stapelbed belandde. Beneden hoorde ik het gelach van
volwassenen. Dat gepaard ging met de rook van sigaren en de geur van jenever.
Net zoals wanneer mijn nonkel Marijn samen met mijn tante Nathalie op bezoek
kwam. Dan werd het groene kaartmatje bovengehaald en hoorde ik hen luidop de
meest wonderlijke uitroepen doen. Zoals ‘troef’ of ‘pastroel’.
Amélie woonde in Abbeville. Maar
in Wathiéhurt, dat onooglijke gehucht, stond het ouderlijke huis. En daar
brachten wij dus voortaan onze zomers door.
vrijdag 1 november 2013
Zwerfvos
![]() |
| Zwerfvos (foto MDB) |
Ik zag Lucas Tavernier voor het eerst tijdens het theaterfestival in Spa. Samen met Serge Demoulin las hij voor uit Sprakeloos - La langue de ma mère van Tom Lanoye.
Later stuurde ik hem mijn gedichten. Ik kreeg een mail. ‘Jouw gedichten ontroeren mij. Ik wil er graag iets mee doen. ‘
We spraken af op het
terras van de Vooruit. Het was zomer en warm. ‘Je gedichten doen mij denken aan
soefigedichten,’ zei Lucas. Dat ontroerde mij op mijn beurt. Ik zou bindteksten
schrijven.
Ondertussen was ik in
de maand mei samen met mijn vrouw en muze over de Alpen getrokken. In de
voetsporen van Goethe. Achter onze auto een oude caravan. We maakten er alle
seizoenen mee. Boven op de berg bliksem en stromende regen. In het dal de geur
van salie, rozemarijn en tijm.
Acteur Lucas Tavernier
brengt dit tekstmateriaal tot leven in Zwerfvos.
Op vrijdagavond 15 november om 20.00 u in Brazza café.
Koningin Maria Hendrikaplein 66 Gent.
Toegang gratis.
Op vrijdagavond 15 november om 20.00 u in Brazza café.
Koningin Maria Hendrikaplein 66 Gent.
Toegang gratis.
zondag 20 oktober 2013
Nu de laatste vruchten hangen
| Braambessen langs het water (foto Mieke Debrabandere) |
herinner mij
aan de bloesems in de lente.
Het gouden licht
van de zon
in jouw ogen.
Herinner mij
aan onze wandelingen
langs het water.
De bloemen
die jij zo graag plukte.
De kleur van de libellen.
Nu wij langs het water
samen de laatste vruchten
plukken
aan de melodie
van het verlangen
herinner mij.
zondag 6 oktober 2013
Nu het licht vervaagt
Nu het licht vervaagt
berg mij
in de boezem van de nacht.
Kom terug mijn lief
want jij bent het licht
in mijn ogen.
Mijn lief kom terug
jij die zoeter
dan honing bent.
De reis duurt lang
en ver is de weg
die je moet gaan.
Voor het licht weer klaart
berg mij
in de boezem van jouw nacht.
![]() |
| Onderweg (foto MDB) |
Abonneren op:
Posts (Atom)

