maandag 27 juni 2016

Tocht aan het begin van de zomer



Villa Wesendonck, Zürich (foto MDB)
Wagner

Zacht daalt het avondlicht over de Reuss, de snel stromende rivier langs onze kampeerplaats. Het water is helder groen, een teken dat het boven de bergen opgehouden heeft met regenen. De oever van de bergstroom heeft nu een heel andere aanblik. In het zand staan voetsporen.
Rondom mij dwarrelen steeds meer muggen. Ze nopen mij ertoe om een kaars aan te steken.
Vandaag bezochten wij in Zürich Villa Wesendonck. Na de troebelen in 1849 in Dresden vond Richard Wagner in Zürich asiel. Het fabrikantenpaar Otto en Mathilde Wesendonck ondersteunde de romantische musicus.
Wat een rust straalt de klassieke architectuur samen met de zacht grijze kleur uit. Aan de achterzijde die uitkijkt over een heuvelachtige tuin staan overal beelden. Sfinxen en klassieke hoofden die allerlei gezichtsuitdrukkingen vertonen. Onder het huis een namaakgrot met druipstenen.
De ingang van de woning overweldigt mij. ‘Salve’ lees ik bij het binnenkomen. Zoals onderaan de trap van het Goethehaus aan de Frauenplan in Weimar. ‘Welch eine wunderliche Farbe,’ zeg ik tegen het meisje dat naar mijn ingangsticket vraagt, ‘ganz und gar orange.’ De oranje kleur van de ingang is overal aanwezig, in het marmer en zelfs in het hout van de deuren. De kleur wordt nog versterkt door twee Boeddhabeelden die recht tegenover elkaar zijn geplaatst. Op het ene beeld restanten van goud.
Voor Wagner kocht Otto Wesendonck een naast de woning gelegen Fachwerkhaus, de latere Villa Schönberg. Vandaar kon Wagner Mathilde op het balkon zien verschijnen.
Tussen Wagner en de jonge Mathilde Wesendonck ontwikkelde zich een sterk sensueel verlangen. Met Mathilde als muze schreef Wagner aan ‘Tristan und Isolde’. Toen Mathilde aan haar man bekende dat zij zonder Wagner niet meer kon leven, opende hij het balkon. ‘Wanneer je zonder Wagner niet meer kunt leven, spring dan maar uit het venster,’ antwoordde Otto.
Na een door zijn vrouw Minna onderschepte brief van Wagner aan Mathilde diende de componist Villa Wesendonck en daarmee Zürich te verlaten.


Tocht aan het begin van de zomer



Affiche dada, Zürich (foto MDB)

Lavater

Het regent onophoudelijk. Gelukkig staat onze caravan niet in het overstromingsgebied van de camping. Want dat is hier wel degelijk. Net zoals er zones zijn voor kampeerders met en zonder hond. Vorige week was de Reuss, de rivier waaraan onze kampeerplaats ligt, buiten zijn oevers getreden. Het natuurgebied dat zich hier wat verder uitstrekt en waar je wilde zwanen en ooievaars kunt spotten, is eigenlijk het natuurlijke overstromingsgebied van de nu woest kolkende rivier. Gisteren zag de rivier in de plaats van helder groen, donker bruin. Dat betekent dat het in de bergen al aan het regenen ging.
Op zijn tocht van München naar Parijs levert Werner Herzog vooral een gevecht met de elementen. Sneeuw en ijs teisteren hem. Een sneeuwstorm noopt hem ertoe te schuilen in een aftands bushokje. Het ergste is de horizontale sneeuw. Overnachten doet hij in vakantiewoningen die hij kraakt. Daar ontdekt hij een kalender van november, wat hem doet besluiten dat de bewoners er nog niet zo heel lang geleden verbleven. Een achter gelaten spel kaarten. Een Playmate. Langzamerhand neemt de modder bezit van hem waardoor hij steeds meer op de Wildeman gaat gelijken.
Vandaag bezochten we Zürich, de stad waar in 1916 Hugo Ball de dadabeweging in het leven riep. Op de hoek van de Münster- en de Spiegelgasse treden we het Cabaret Voltaire binnen, de zetel van het dadaïsme. In het café een reuze borstbeeld van de Franse verlichtingsfilosoof. In de kelder kunnen performances worden gehouden. De muren zijn behangen met kranten en foto’s van Hugo Ball en Emmy Hennings.
Maar meer nog ben ik ontroerd door het huis in de Spiegelgasse waar Johann Caspar Lavater leefde. Door de brede toegangspoort kwam hier Goethe over de vloer. Later ook Pfarrer Oberlin. Wanneer Oberlin aan de Duitse dichter Jakob Michael Reinhold Lenz meedeelt dat hij voor enkele dagen op reis gaat om de zieke Lavater te bezoeken, antwoordt Lenz: ‘En ik, ben ik niet ziek misschien?’.
Rondom de Spiegelgasse vind je nu de artistieke scene. Hier schreef Georg Büchner Danton en Woyzeck. Lenin verbleef hier enige tijd.
Langs de rivier de Reuss in de verte de bergen van Luzern, de stad waar Wagner leefde. Ik denk aan de prachtige filmaffiche van Ludwig, waarover de weemoed hangt van het berglandschap bij avond. Ludwig II von Bayern, vriend en mecenas van Richard Wagner.
Het blijft maar regenen. Stilaan hangt onze caravan vol met natte kleren en verandert zo in een woonwagen van rondtrekkende reizigers.

donderdag 23 juni 2016

Tocht aan het begin van de zomer

Poort met popje, Turckheim Elzas (foto MDB)


Kaspar Hauser

Eindelijk daalt er een koelte over het land. Vandaag woog de hitte als lood. Zelfs de ooievaars op onze camping lijken onder de verschroeiende warmte te lijden. Sierlijk strijken zij af en toe neer op hun torenhoge nesten. Een van de ooievaars loopt hier overdag parmantig rond. De bek opengesperd. Komt het door de warmte?
Maar bij het vallen van de avond koelt het langzaam af. En tekent de wijnberg recht tegenover onze kampeerplaats zich scherp af tegen de lucht. In de verte de klokkentoren van Turckheim. Een klein Elzasser stadje met middeleeuwse straatjes die klinkende Duitse namen dragen.
Ik ben verrukt door de kleuren en de plastische vormentaal van de gevels. Ook het Mariabeeld dat de fontein siert draagt de heerlijkste kleuren.
Het stadje wordt beschermd door een omwalling en is enkel via massieve poorten toegankelijk. Het lijkt wel het decor van de film ‘Jeder für sich und Gott gegen alle’ van de Duitse cineast Werner Herzog over de vondeling Kaspar Hauser.
Kaspar Hauser wordt door een onbekende man in het zwart op de marktplaats van een middeleeuws stadje achtergelaten. In zijn hand draagt hij een bord: ‘Ich möchte Reiter werden, so wie mein Vater es einmal war.’
De symboliek is duidelijk. Kaspar Hauser wil net zoals zijn vader een man worden. Het ruiter worden als verwijzing naar de mannelijke seksualiteit. Het is een proces dat door zijn vader zal worden gedwarsboomd. Kaspar Hauser is niet gesocialiseerd. Vooreerst wordt hij opgesloten in een ronde toren, symbool voor de moederlijke bescherming. Daar worden zijn eerste stappen in het socialisatieproces gezet. Kaspar Hauser bezit er een speelgoedpaard.
Op het einde van de film ontleden geneesheren de hersenen van de onbekende man om te onderzoeken waar zijn goedheid vandaan komt.
Tot onze reisliteratuur behoort het boekje ‘Over een voettocht door de kou’ van Werner Herzog. Wanneer Herzog verneemt dat Lotte Eisner, een grande dame voor enkele jonge Duitse cineasten, in Parijs op sterven ligt, onderneemt hij een voettocht vanaf München naar haar ziekbed. Hiermee wil hij haar dood weren. Werner Herzog onderneemt de tocht op het einde van de herfst van 23 november tot 14 december 1974.
Maar nu staan we nog maar aan het begin van de zomer. Het is gloeiend heet. Herfst en winter zijn nog ver weg.

maandag 13 juni 2016

Stadsnatuur

Goya's Maya in de Rij (foto JDV)


Goya’s Maya in de Rij

Op de kaft van ‘Goya’s Maya in de Rij’ van fernand bosteels prijkt een verleidelijke donkerharige vrouw. De armen wijd gespreid achter het hoofd. De vrouw is naakt, ligt op een divan met kussens en kijkt ons met haar donkere ogen licht uitdagend aan. Het tafereel is geschilderd door de Spaanse kunstenaar Goya en draagt als titel ‘La Maya desnuda’.
Het boek is van de hand van Dr. Fernand L.C. Marie Bosteels en bevat een lang erotisch prozagedicht. F. Bosteels vertelt dat hij het gedicht kreeg van een vriendin die op haar beurt voorwendt dat zij een anonieme auteur is. Het lange prozagedicht werd postuum, dus na haar dood gevonden.
Voor deze literaire techniek verwijst Fernand Bosteels naar de in Gent geboren schrijver Pierre Louÿs (eigenlijk Pierre Louis) die vertelde dat hij een reeks erotische gezangen ‘Les Chansons de Bilitis’ op de muren van de graftombe van de dichteres Bilitis, een tijdgenote van Sappho, had ontdekt en vertaald uit het Grieks. Terwijl hij die zelf had geschreven.
Wat Dr. F. L.C. Bosteels met het werk beoogt schrijft hij in de inleiding. Als arts klaagt hij de seksuele moraal aan die alles in het verborgene laat spelen waardoor de bloem van de liefde het daglicht niet kan zien.
Het boek dat door Bosteels in 1968 zelf is uitgegeven moest dus een steentje bijdragen tot de seksuele bevrijding. Net zoals de werken van Jef Geeraerts of Jan Wolkers in die tijd.
Het boek ademt de tijdgeest van de zestiger jaren. Je voelt de hunkering naar vrijheid. Niet alleen wat betreft het seksuele beleven. Ook godsdienst en kerk komen ter sprake.  De Priesteressen weten dat God een andere taal spreekt dan wij, daarom bedienen zij zich van het Latijn, een dode taal.

‘Hoe schoon bedacht, hoe sluw
en fijn! - en toch zo ruw!
Alsof de levensbranding - echte Godentaal
zich insloot in dit Mithraschrijn
alsof ’t verschil van Goden- en van Mensenspraak
zo nietig zijn zou en zo klein!’

Fernand Bosteels plaatst zijn poëzie in de klassieke mythologie. Liefde en wijn horen bij elkaar. De auteur heeft het over Bacchusfeesten en laat man en vrouw in de ban zijn van Pan, Sater of Faunen.

‘Zo rijt de Saat’r ons rillend bos
en riet, pijpende en Liefde-lovend.
Gij grijpt me en bijt me en laat niet los;
want ‘k heb een Bed waarin ‘k U stove.’

Goya’s Maya staat in de rij voor het ‘Vleeswarenhuis’, dat mogelijk verwijst naar het Gentse Vleeshuis. Ondertussen bekruipen haar allerlei seksuele fantasieën, die zij projecteert op in de rij staande klanten.

Het meest frisse tafereel is dat van een vrouw die tijdens een zomerse vakantie aan de kust verblijft. Haar man komt met de weekendtrein. De vrouw verbeeldt zich al het liefdesspel dat haar wacht bij zijn komst. Ondertussen spelen zich op het strand lieflijke taferelen af.  Een jonge Italiaanse man tilt de vrouw in zijn nek.  
Gelijkaardige taferelen vind ik terug in het fotoboek van mijn moeder.  In een lange rij liggen zij, mijn vader en andere jonge mensen op elkaar geleund in het warme zand.

Fernand Bosteels is dichter. Het prozagedicht ‘Goya’s Maya in de rij’ dendert voort in een zelfde ritme gedurende meer dan 250 bladzijden. Het is een ritme dat in de leden kruipt. Hetzelfde kan niet worden gezegd van het gebeuren en de beelden. Slechts zeer zelden slaagt de dichter erin om een poëtische ontroering over te brengen. Daarvoor zijn de seksuele acts te expliciet.
Dr. Fernand L.C. Marie Bosteels blijft een arts. Genadeloos ontleedt hij met zijn scalpel het liefdesspel. En noemt daarbij man en paard.
Alsof hij ons tijdens het dichten seksuele voorlichting wil geven. Maar waardoor ons alle lust tot erotiek wordt benomen.

dinsdag 17 mei 2016

Stadsnatuur

Bloeiende pruimenboom (foto MDB)


Nu het licht
overvloedig schijnt
op de witgekalkte muur

ga niet weg, liefste

De meidoorn
als sneeuw
zijn bloesems draagt

blijf bij me liefste

De jonge pruimenboom
misschien zijn eerste
vruchten draagt

en blauwe regen
als een dak is
boven ons hoofd

blijf bij me liefste
kom terug