vrijdag 19 december 2014

Italiaans dagboek



s.chirulli, trulli (foto MDB)
Viva la Letteratura!

‘Thuis zijn wij met zes kinderen,’ zegt Santina. ‘Wij zijn alle zes uitgeweken,’ voegt zij er nog aan toe. ‘In het zuiden van Italië is geen werk te vinden.’
‘Vroeger was het zuiden van Italië rijker dan het noorden,’ vertelt Nomade. ‘Maar daarop heeft het noorden Zuid-Italië gedomineerd.’

‘Viva la Letteratura !’ schrijft Santina.
Ze stuurt mij een van haar gedichten, met als titel ‘La mia terra’.
Hiermee bedoel ik mijn land, schrijft zij. Maar ook de aarde waar de olijfbomen van mijn vader op groeien.
In het gedicht vergelijkt zij de amandelboom en de olijfboom. Wanneer het lente is, klampt het groen zich verlegen vast aan de takken van de amandelbomen. Binnenkort zullen de bloesems volgen.
De olijfbomen daarentegen zijn groen gebleven zoals altijd.
Zij besluit met de uitroep: ‘Lente bij mij thuis!’.

Het verlangen naar de streek van herkomst. Het thema komt zo vaak terug in het werk van de Turkse dichters. Bij mijn lievelingsdichter Nazım Hikmet bijvoorbeeld.

‘Mijn vaderland
de sterren
of mijn jeugd
wat is het verst van mij verwijderd?’

schrijft Nazım Hikmet in het gedicht ‘Karlı kayın ormanında’ - ‘In het besneeuwd beukenbos’ (Moskou, 14 maart 1956).

Het verlangen is het sterkst in de lente. Zo vele Turkse dichters verbleven in de gevangenis. Zo ook de dichter Ahmed Arif.

‘Heb je het gehoord?
Mijn familie heeft groene lente-uitjes gestuurd,
Mijn sigaret ruikt naar anjers
Thuis in de bergen is de lente aangebroken…’

(‘Içerde’ - ‘In de cel’ fragment)

La mia terra

Il mandorlo verde
adesso
comincia a riempirsi.
Verde che timidamente
si attacca ai rami
che
presto saranno colmi di fiori.

Gli ulivi sono rimasti
tali e quali a sempre.

Primavera a casa
mia!

2005-2008








maandag 15 december 2014

Italiaans dagboek

s.chirulli, tronco ulivo, fragment (foto MDB)

Santina

Vanmiddag op bezoek bij Santina Chirulli.
Het schildersatelier van Santina kijkt uit over de Sint-Pietersabdij. Op de schildersezel staat een onvoltooid werk. Santina schildert abstract. Maar vertrekt toch van de realiteit. Met verschillende lagen verf boven op elkaar. Signeren doet zij met s.chirulli. Niet door haar naam op het schilderij aan te brengen. Maar door verf weg te krabben. Zodat de uitgespaarde lagen haar naam blootleggen. ‘Kijk,’ zegt zij, ‘hier is de onderliggende laag blauw.’
Wanneer een werk voltooid is, dan schrijft zij dat ook zo op de achterkant: ‘Finito’.
Trulli of traditionele woningen schildert zij, zoals je die kunt zien in Puglia, haar geboortestreek.

Maar het meest ontroerd ben ik door haar tronco di ulivo. De olijfbomen van haar vader. Hij is nu zesentachtig jaar oud en heeft aan elk van zijn zes kinderen een veld met olijfbomen geschonken. Misschien wil hij dat zijn kinderen terugkeren naar hun geboortedorp Cisternino? Om er zorg te dragen voor de olijfbomen.
‘In de zomer moet je zorgen dat de olijfbomen geen vuur vatten,’ zegt Santina.
Op haar schilderijen komen de bomen tot leven. De takken lijken wel grijpende armen.
Ik denk aan het gedicht van Goethe ‘Erlkönig’, getoonzet door Franz Schubert.
Een vader is op weg met zijn kind. Naar een arts want het kind is ziek en koortsig. Het is dringend. De vader rijdt immers midden in de winderige nacht. Het kind ijlt, het is angstig en ziet de Erlkönig of de Wilgenkoning met zijn kroon en sleep.
Maar de vader stelt zijn zoon gerust. Mijn zoon, wat je ziet is enkel nevel en mist.
De gruwel voltrekt zich:

‘Ich liebe dich, mich reizt deine schöne Gestalt;
Und bist du nicht willig, so brauch ich Gewalt.’

Erlkönig is in vervoering door de schoonheid van het jongetje.

‘Mijn vader, mijn vader, nu raakt hij mij aan!
Erlkönig heeft mij pijn gedaan!’

Maar zover reiken de takken van de olijfbomen van Santina gelukkig niet.
Thuisgekomen van het bezoek aan het schildersatelier zitten Nomade en ik aan de keukentafel.
We drinken koffie. Zoals gewoonlijk zet Nomade onze draagbare cd-speler aan.
‘Bella ciao’ weerklinkt. Liederen van de arbeid op het veld. De klaaglijke toon doet mij denken aan de liederen in Mistero Buffo van Dario Fo.
En aan de velden met de olijfbomen die de vader van Santina aan zijn zes kinderen heeft geschonken.


zaterdag 13 december 2014

Italiaans dagboek

Gianmaria Testa, Men at work (foto MDB)


Gianmaria Testa

In het derde deel van de trilogie ‘Misdaad in Marseille’ van de Franse schrijver Jean-Claude Izzo belt de melancholieke politieman Fabio Montale op de mobiele telefoon van een vrouw.
De vrouw is politiecommissaris en komt net onder de douche vandaan. Op de achtergrond klinkt Italiaanse muziek:
‘un po’ di là del mare c’é una terra chiara’.
Montale heeft zich aan het politieambt onttrokken. Gaat zijn eigen gang en vraagt zich af of Hélène Pessayre hem soms laat afluisteren.
Het beeld van de politiecommissaris enkel gehuld in een badlaken, brengt Montales fantasie op hol. Op het einde van het gesprek vraagt hij naar de naam van de Italiaanse zanger.
De zanger is Gianmaria Testa.
Bij de lectuur van  Izzo valt het mij op dat de auteur regelmatig naar muziek verwijst. Niet alleen naar de Italiaanse zanger met de diepe sonore stem maar in het begin van de trilogie ook naar de Amerikaanse jazzpianist Thelonious Monk.
Heerlijk zijn de filmpjes van Monk, met zijn geringde vingers beukend op een eenvoudige piano. Op zijn hoofd een gebreide muts. Enkel begeleid door een bassist en drummer.
Heerlijk was ook de theatervoorstelling van Josse De Pauw ‘An old monk’. Waarin de doorwinterde acteur het onverbloemd heeft over ouder worden en de aftakeling die hiermee gepaard gaat.

Omgekeerd heeft Testa een van zijn nummers opgedragen aan Jean-Claude Izzo.
‘De bibliotheek is een echte schatkamer,’ zegt Nomade.
Uit de bibliotheek brengt zij de cd’s van Testa mee. Vervolgens neemt ze die op ouderwetse cassettes op. Die laten we spelen tijdens de autoritten met onze Volvo 460.
Dan weerklinkt de zachte stem van Gianmaria Testa.

‘in fondo al mare
canta una sirena
tutta la notte canta
e canta piano’

‘Op de bodem van de zee
zingt een sirene
de hele nacht
zingt zacht de sirene’

Tekst en melodie doen wegdromen. Ware het niet dat ‘una barca scura’ een aanklacht is tegen de bootvluchtelingen die op weg naar het beloofde land Italië belanden op de bodem van de zee.



vrijdag 12 december 2014

Italiaans dagboek

Still uit 'Il mio viaggio in Italia' (foto MDB)


Ladri di biciclette

In de documentaire film Il mio viaggio in Italia (1999) keert Martin Scorsese terug naar zijn jeugd. Hij zit bij een oud model televisietoestel. Legt enkele keren zijn hand daarop en zegt hoe belangrijk dit toestel voor hem is geweest.
Niet alleen voor hem want op het einde van de jaren veertig waren er nog niet zoveel televisietoestellen. En dus zat iedereen er op vrijdagavond voor verzameld wanneer een Italiaans gesproken film werd vertoond. Dan voelde de jonge Scorsese de vibratie bij zijn grootouders. Die waren immers zowel van moeders- als van vaderszijde uitgeweken uit het arme Sicilië.
Aangekomen in New York leefden de immigranten uit Sicilië per dorp samen in een enkel flatgebouw. Ze trouwden ook onderling. Pas later kwam het in hen op om ook een huwelijksverbintenis aan te gaan met een jongen of meisje uit het flatgebouw aan de overkant van de straat. Met iemand van een naburig dorp dus.
De eerste immigranten hielden ook nauwlettend hun gebruiken in ere. Zo toont Scorsese beelden van processies en huwelijksfeesten.
Scorsese is ontroerd wanneer zijn grootouders in de lens kijken. Of wanneer hij hun groentewinkeltje ziet.
Maar de vier uur durende documentaire gaat natuurlijk ook over film. Ze start met het neorealisme van Vittorio de Sica en Roberto Rossellini.
Wanneer op vrijdagavond in het grote gezinsverband televisie wordt gekeken beseft de kleine Scorsese  ineens waar hij vandaan komt. De ouderen reageren hartstochtelijk wanneer zij beelden zien van Sicilië. Iedereen herkent het Italiaans met een Amerikaans accent dat wordt gesproken door een van de soldaten die in 1944 het eiland op nazi-Duitsland heroveren (Roberto Rossellini, Paisà, 1946).
En het jongetje beseft dat hij ook een van die straatarme kinderen in Zuid-Italië had kunnen zijn.
Wat Scorsese in de eerste plaats opvalt in de vroege Italiaanse film is het mededogen.
Die is het sterkst aanwezig in de ontmoeting van Franciscus van Assisi met een lepralijder. Franciscus is zo aangegrepen door het lijden van de leproos met zijn gehavend gezicht en waarschuwend belgeluid dat hij zijn gezicht in zijn handen verbergt en zich wenend ter aarde stort (Rossellini, Francesco, giullare di Dio, 1950). De rol van de franciscanen wordt in de film vertolkt door echte monniken.
Maar de meest aangrijpende fragmenten zijn die uit Ladri di biciclette of Fietsendieven van Vittorio de Sica (1948).
We bevinden ons in het naoorlogse Rome. Een man genaamd Antonio, wiens broodwinning eruit bestaat overal in de stad rond te rijden en filmaffiches aan te plakken, ziet van op zijn ladder zijn fiets gestolen worden. Vol wanhoop doorkruist hij samen met zijn zoontje Bruno de stad op zoek naar zijn fiets. Tot hij de wanhoop nabij zelf andermans fiets steelt. Antonio wordt echter bij deze daad betrapt.
‘Papa, papa,’ roept het zoontje terwijl hij zich door de wraakzuchtige menigte probeert te wurmen.
Die daad is tegenover zijn zoontje de zwaarste emotie om te dragen.

woensdag 10 december 2014

Italiaans dagboek

Appelsienen Plantentuin Gent (foto MDB)

Felix Timmermans

Nomade dubt over de vraag wat haar vroegste beeld van Italië heeft bepaald. Zijn het de vertelplaten met de heiligenlevens? Heel wat heiligen komen alvast uit het land: Franciscus van Assisi, Antonius van Padua enzovoort.
‘Wat heeft bij mij dat positieve beeld van Italië opgeleverd,’ vraagt zij zich af. ‘Is het de natuur misschien? Je moet weten dat ik mij als kind van de buiten opgesloten voelde in de kloosterschool in de stad. Ik kreeg er muziekles van een nonnetje dat zelf van de buiten afkomstig was. Ze leerde mij allerlei liedjes over de natuur. Aan de muur hing een kooi met een geel kanariepietje. Het beestje was zelf ook gekooid.’
Het is waar. Franciscus van Assisi hield van de natuur, de vogels en de andere dieren. En ik moet denken aan de tijd die wij in een Zwitsers klooster doorbrachten samen met onze hond Loebas. Op de binnenkoer was tegen een smetteloos wit gekalkte muur een reuze grote schildering aangebracht. Zij stelde een heilige voor omringd door allerlei dieren.
In 1925 reist Felix Timmermans naar Assisi. Van zijn reis doet hij verslag in ‘Naar waar de appelsienen groeien’. Een titel die naar het bekende gedicht van Goethe verwijst: ‘Ken je het land waar de citroenen bloeien’. Het boek is verlucht met tekeningen van hemzelf.
Mooi is het hoofdstukje ‘Dodenverering’. Timmermans beschrijft er hoe hij samen met zijn vrouw en zijn twee zusters, die hem  vergezellen, versteld staat van een scène die zich afspeelt op het Milanese kerkhof.
Een vrouw vertelt druk gesticulerend alles wat zij heeft meegemaakt aan haar man. Streelt hem over het gelaat, kust hem innig op de mond en gaat daarna weer verder met vertellen.
Dat alles zou niet verbazen ware het niet dat de innige kus die de vrouw haar man toebedeelt, in werkelijkheid een kus is op de mond van een marmeren beeld.
‘Ik bezie mijn vrouw en zusters, z’ hebben tranen in de ogen, en we gaan zwijgend weer de trappen af,’ schrijft Felix Timmermans.
En hij besluit: ‘’t Is een ander volk, die Italianen, heviger van bloed en hart dan wij.’