vrijdag 13 februari 2015

Overwinteren in Spa

Schaduwbeelden carnaval Malmundarium (foto MDB)


Monsieur Hawarden

Wat een magische tover hangt over deze streek.
‘De nevel is nog aan het optrekken,’ zegt Nomade wanneer we deze ochtend doorheen eindeloze bossen rijden. In de verte het opkomende licht. Sneeuwlagen. De scherpe omranding van de dennenbossen.
Wanneer we ’s ochtends wandelen met onze hond Luna vertelt Nomade over de hazelaar.
‘Het is een magische struik. Vroeger werden er wichelroeden van zijn takken gemaakt.’
We dringen het park binnen van het kasteel van Mobutu. Zo staat deze verlaten kasteeltuin bij ons bekend. We zien er de vroegere stenen kooien. Waarin de kasteeleigenaar na een verblijf in Congo exotische dieren hield.
In het verlaten kasteelpark ontdekken we nog tal van voormalige follies. Een met mos bedekte Chinese pagode. Op een klein eilandje een reusachtige steen die voor een menhir kan doorgaan.
We wandelen rond de kasteelvijver. Het kasteel zelf is ondertussen verdwenen.
Het is een spannende onderneming. Het doet mij allemaal denken aan vroeger, toen ik als kind binnendrong in de Hof van de Rus. Een leegstaande villa met een verwilderde tuin. Wanneer je onder de omheining door kroop, wachtten er frambozenstruiken. Sommigen onder ons beweerden zich ooit toegang te hebben verschaft tot het binnenste van het gebouw. Ze vertelden over oude luchters. En verlaten kamers.
Dezelfde magie moet de schrijver Filip de Pillecyn hebben ervaren. Hij verbleef enkele jaren in Malmédy als leraar Nederlands. En liet zich inspireren door een oud verhaal voor zijn novelle Monsieur Hawarden. De Pillecyn beschrijft de lange eenzame wandelingen van monsieur Hawarden die uiteindelijk een vrouw blijkt te zijn door de met nevels bedekte landschappen.
Morgen begint in Malmédy het langverwachte carnaval. Het carnavalsfeest is hier meer dan vijfhonderd jaar oud. De figuren die er hun opwachting maken vertellen over de geschiedenis van deze streek. Zo is er de Grosse Police die er uitzien als soldaten uit de Napoleontische tijd.
Als een eerste voorbereiding eten we salade russe. Het is een mengeling van rode biet, aardappelen met ajuin en haring. Kortom datgene wat nog van de voedselvoorraden overblijft na een lange winter.

vrijdag 6 februari 2015

Italiaanse herinneringen

Monument Italiaanse krijgsgevangenen (foto MDB)


Alpejagerslied

Op de hoek van de Gentse Martelaarslaan en de Offerlaan bevindt zich een oorlogsmonument. Het oorlogsmonument bestaat uit een bronzen plakkaat met daaronder in steen de namen van Italiaanse krijgsgevangenen die er in 1918 zijn overleden.
De beeldhouwer heeft een van de Italiaanse soldaten krijgshaftig uitgebeeld. Met het geweer fors in de hand stormt de bersagliere of Piëmontese scherpschutter vooruit. Dat de beeldhouwer een lid van het Piëmontese elitekorps uitbeeldt, kun je afleiden van de afgebeelde helm. Die draagt een reusachtige veer. In werkelijkheid droegen de bersaglieri geen helm. Wel een grote ronde hoed met diezelfde veer. De Italiaanse Alpenjagers daarentegen droegen een kleiner hoedje met een enkele veer.
In 1919 werd in Gent een stoet gehouden ter ere van de Belgische burgers en soldaten. Een foto toont een groep kinderen met een hoed op die het beeld van de Italiaanse Alpenjagers moet oproepen. Zij dragen een groot bord met als opschrift: ‘De Italiaansche Alpenjagers brengen hulde aan hunne moedige Belgische strijdmakkers’.
In het begin van de oorlog droegen de soldaten geen helm en kleurrijke uniformen. Die hadden vooral als doel zich te onderscheiden en te imponeren. Denk maar aan de Fransen met hun rood en blauw.
Op de Gentse Westerbegraafplaats liggen de Italianen broederlijk naast Franse fusiliers marins. Zij werden naar Antwerpen gestuurd om de forten te verdedigen. Omwille van de rode pompon op hun mutsen en hun jonge verschijning werden deze meestal zeer jonge Bretoenen ‘demoiselles aux pompons rouges’ genoemd.
De Italianen die op het plakkaat zijn vermeld, werden wellicht krijgsgevangen genomen tijdens de slag om Caporetto in het huidige Slovenië. Zo’n 11.000 Italiaanse soldaten sneuvelden. En 275.000 soldaten kwamen in krijgsgevangenschap terecht. In het bezette West-Vlaanderen moesten de Italianen net als de Russen zware arbeid verrichten. Aan de spoorlijn Gent - Tielt - Diksmuide bijvoorbeeld. Of zij werden verplicht om Duitse soldaten die te dicht bij het front waren begraven, op te graven.
Hun lot zal vergelijkbaar zijn geweest met dat van de opgeëiste Belgische werklieden. Mijn grootmoeder vertelde over haar vader die tijdens de oorlog weggevoerd werd naar Sedan in Frankrijk. Daar moest hij achter het front zware arbeid verrichten.
‘Ma, d’ er stoat nen heere aan de deure,’ zei mijn grootmoeder jaren later na de oorlog tegen haar moeder.
‘Oh, ’t es voader,’ riep zij uit, de handen voor het gezicht slaand.
‘Ik had hem helemaal niet herkend,’ vertelde mijn grootmoeder nadien, ‘hij zag er uitgeteerd en geslagen uit.’
Maar op het oorlogsmonument draagt de jonge Italiaanse besagliere trots zijn hoed met reusachtige veer. Wellicht inspireerde het beeld van de Alpenjager de avant-gardedichter Paul van Ostaijen tot de titel van zijn gedicht ‘Alpejagerslied’. In een speelse stijl schildert Van Ostaijen de ontmoeting tussen twee heren voor een winkel van hoedenmakers. Een heer die klimt en een heer die daalt. Net zoals in de bergen. Zij hebben een hoge hoed op en groeten elkaar in het voorbijgaan. Dat doen zij door hun hoed op te lichten.
De observerende stijl, de humor en de afstandelijke beschouwing doen denken aan de ultrakorte verhalen van Franz Kafka.

Alpejagerslied

Voor E. du Perron

Een heer die de straat afdaalt
een heer die de straat opklimt
twee heren die dalen en klimmen
dat is de ene heer daalt
en de andere heer klimt
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx van de
       beroemde hoedemakers
treffen zij elkaar

(…)

dan zetten beide heren
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
eenmaal elkaar voorbij
hun hoge hoeden weer op het hoofd
men versta mij wel
elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd
dat is hun recht
dat is het recht van deze beide heren

zaterdag 31 januari 2015

Italiaanse herinneringen

Sneeuwlandschap (foto MDB)


Tombe la neige

Wat een melancholie spreekt uit het lied ‘Tombe la neige’ van de zanger Salvatore Adamo. Wat Rocco Granata betekende voor het Nederlandse taalgebied, was Adamo voor de Franstaligen. Hun vaders waren allebei mijnwerker. De familie van Rocco Granata kwam uit Calabrië. Salvatore Adamo kwam met zijn ouders op driejarige leeftijd uit Comiso, Sicilië naar Ghlin bij Mons.
Adamo zong zelden in het Italiaans. Behalve dan het lied Dolce Paola. Wat kijken de twee vol schroom naar elkaar op de foto genomen op 31 mei 1964. De foto staat afgebeeld in de biografie ‘Salvatore Adamo. De tedere tuinman van de liefde’ van Thierry Coljon.
Op dat moment heeft Adamo het lied Dolce Paola nog niet geschreven. Maar in het gesprek dat toen tussen de twee aan de gang was, geeft prinses Paola impliciet haar toestemming voor een lied over haar.
Als het zo mooi is als ‘Sans toi, ma mie,’ dan mag een lied zeker over mij gaan, zei ze.

‘Tombe la neige
Tu ne viendras pas ce soir
Tombe la neige
Et mon cœur s’habille de noir’

In slechts vier versregels wordt een heel verhaal verteld. Het sneeuwt. Tegelijk weet de zanger dat zijn geliefde die avond niet zal komen. De sneeuwval versterkt zijn gevoel. Zijn hart kleedt zich in het zwart. Zoals iemand die rouwt.
Het beeld van rouw en dood wordt verder gezet in dezelfde strofe. Met op het einde een natuurbeeld, mooi in zijn eenvoud.

‘Ce soyeux cortège
Tout en larmes blanches
L’oiseau sur la branche
Pleure le sortilège’

De sneeuw is als een rouwstoet gekleed in zijde. De vogel op zijn tak weent om zoveel betovering.

Het lied herinnert mij aan een van de mooiste gedichten van mijn lievelingsdichter, de Turkse schrijver Nâzım Hikmet. Het gedicht ‘Karlı kayın ormanında’ is op muziek gezet door Zülfü Livaneli. De beginregels luiden als volgt:

‘Karlı kayın ormanında
yürüyorum geceleyin.
Efkârlıyım, efkârlıyım,
elini ver, nerde elin?’

‘Wandelend bij nacht
door een besneeuwd beukenbos
voel ik mij bang.
Waar is je hand, reik mij je hand.’

Nâzım Hikmet schreef het gedicht in Moskou, Peredelkino op 14 maart 1956. Hij verbleef er in ballingschap.
Hartverscheurend zijn de versregels:

‘Memleket mi, yıldızlar mı,
gençliğim mi daha uzak?’

‘Mijn vaderland, de sterren of mijn jeugd
wat is het verst van mij verwijderd?’

Of je nu je land verlaat om politieke redenen of uit economische noodzaak, er is altijd de melancholie.



zaterdag 24 januari 2015

Italiaanse herinneringen

Pinokkio zet een neus, illustratie uit kinderboek (foto MDB)


Speak Italian

In ‘De terugkeer van Don Camillo’ zien we bij aanvang de geestelijke in zijn ballingoord in de bergen. De dorpelingen zijn er voor zijn komst gewaarschuwd. Hun geestelijke herder is er een van het soort dat een tafel hoog boven zijn hoofd heft. Waarna hij die enkele meters verderop deponeert. Een geweldenaar dus. Bijgevolg draagt Don Camillo elke dag de mis op voor slechts een enkele oudere dame. Hij vergaat er van de heimwee.
Maar ook in het dorp waar Don Camillo strijd voerde met de communistische burgemeester Peppone hebben ze heimwee. Niemand gaat er nog dood. Er worden geen kinderen meer geboren. De dorpelingen gaan als het ware in staking. Tot ze hun geestelijke herder terugkrijgen.
Uiteindelijk beslist de bisschop om Don Camillo terug te sturen. Om een feestelijke ontvangst te vermijden, organiseert Peppone de dag van de terugkomst van Don Camillo een bokswedstrijd.
Peppone staat fel onder druk van zijn communistische stoottroepen. Wanneer zij Don Camillo bedoelen, hebben zij het onveranderlijk over ‘la reazione’. Tijdens een van die bijeenkomsten zegt een heetgebakerde volgeling van Peppone dat de reactie over de kling moest worden gejaagd.
‘Wanneer die pastoor in mijn kapperszaak komt, dan…’. De overtuigde communist maakt daarbij een snelle beweging met de duim over de keel.
De volgende dag verschijnt Don Camillo vrolijk in de kapperszaak om zich te laten scheren.
‘Wat heb jij een zachte handen’ zegt hij tot slot tegen de kapper, tevens gemeenteraadslid voor de communisten.
‘Speak Italian. The fine art of the gesture’ van Bruno Munari is een hoogst vermakelijk boekje. De eerste editie werd gedrukt in Torino in 1958 en was niet te koop. In de uitgave van 1963 zijn tekst en twintig illustraties opgenomen uit een boek uit 1832 over hetzelfde onderwerp.
De titel van het  oorspronkelijke werk uit 1832 luidt ‘The Ancients’ Mimic Through the Neapolitan Gestures’. Het werd geschreven door Canon Andrea de Jorio en gepubliceerd in Napels. Volgens de inleiding op de lijvige studie van 380 bladzijden is de auteur erin geslaagd om een verband te zien tussen de lichaamstaal van de Antieken op vazen, schilderijen enzovoort en die van de Napolitanen uit zijn tijd.
‘Ik spreek met mijn handen,’ zegt Nomade vaak. Het is waar. Duidt dit op haar zuiderse aard? De Italianen staan in elk geval bekend voor hun hevige emoties. Die zij met heel hun lichaam uitdrukken.
In het boekje ‘Speak Italian’ staan prachtige illustraties van oude Napolitaanse gebaren. Daarna volgt in twee talen, het Italiaans en het Engels, een overzicht van de meest voorkomende uitdrukkingen met de handen.
Nemen we als voorbeeld die welke de volgeling van Peppone gebruikt.
Onder de titel ‘Minaccia’ of bedreiging vinden we het volgende:
‘La mano aperta ha un rapido movimento orizzontale all’altezza della gola, come fosse una lama che taglia.’
Of de vlakke hand die een snelle beweging maakt over de keel. Net zoals een lemmet.
Als dat geen bedreiging inhoudt.

maandag 19 januari 2015

Italiaanse herinneringen

Mole Antonelliana, Torino 2 eurocent (foto MDB)


Mole Antonelliana

‘Have you ever seen one American dollar,’ vroeg een jonge Amerikaanse soldaat met wie wij meeliftten. De scène speelde zich af in de Duitse Bondsrepubliek in het begin van de jaren tachtig. De Koude Oorlog. Het was toen nog gewoon om in wat West-Duitland heette op de autoweg lange en trage tankcolonnes te zien. Boven op zo’n Amerikaanse tank kon je een Afro-Amerikaan een jazzdans zien uitvoeren.
An American dollar? Neen, dat hadden wij nog nooit gezien. Daarop kregen wij van de Amerikaanse soldaat in burger die met zijn BMW aan tweehonderd kilometer per uur over de autoweg raasde, prompt zo’n groen biljet overhandigd. Het biljet was getooid met een afbeelding van de eerste president van de Verenigde Staten, George Washington (1789-1797).
In ‘Il mio viaggio in Italia’ vertelt Martin Scorsese over de films die op hem een blijvende indruk hebben gemaakt. Hij heeft het ondermeer over het Italiaanse historische drama. Fabiola van Alessandro Blasetti (1947). De film gaat over de strijd tussen het Romeinse rijk en het christendom. Er komen heroïsche gladiatorengevechten in voor.
In zijn rustige maar bevlogen verteltrant licht Martin Scorsese toe dat de Amerikaanse mythologie beperkt is tot ‘Gunfight at the O.K. corral ‘ met Burt Lancaster en Kirk Douglas. Hun geschiedenis is pas enkele honderden jaren oud. Terwijl de Italiaanse cultuur duizenden jaren terug gaat. Spectaculaire scènes en decors in films zijn voor de Italianen zo gewoon als ademhalen.
Hoe mooi en indrukwekkend zijn de afbeeldingen op de Italiaanse euro! Je vindt er het Colosseum op terug (5 eurocent). De geboorte van Venus van Botticelli (10 cent). Het ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius (50 cent). De Vitruviusman, een voorstelling van de harmonische mens in het universum, van Leonardo da Vinci (1 euro). Dante Alighieri (2 euro). Castel del Monte in Puglia (1 cent) en het futuristische werk uit 1913 ‘Unieke vormen van continuïteit in de ruimte’ van Umberto Boccioni op de munt van 20 cent.
De Italiaanse euromunt die mij het meest aan het hart ligt is echter die van 2 eurocent. Daarop staat de koepel van de Mole Antonelliana afgebeeld. Het hoogste bakstenen gebouw  van Europa (167,50 m), in 1863 ontworpen als synagoge voor Turijn door Alessandro Antonelli. Vandaag is in het reusachtige monument het Museo del Cinema of het Italiaanse filmmuseum gehuisvest. De koepel torent boven de heerlijke stad Torino uit. In de achtergrond de bergen. Het is een iconisch beeld dat ook voorkomt in ‘La meglio gioventú’ uit 2003, de tweedelige film van Marco Tullio Giordana.
‘Kijk,’ zegt Nomade, wanneer ze diep in haar portefeuille tast en er een grote hoop muntstukken uit tevoorschijn tovert, ‘op onze munten staat nu al koning Filip.’
‘Hoe zou het toch komen dat onze euromunten zo onnoemelijk saai zijn,’ werpt zij op.
‘Dat komt,’ antwoord ik, ‘doordat wij net zoals Nederland een koninkrijk zijn. Daarom wordt op alle munten onze vorst afgebeeld.’