maandag 8 december 2014

Italiaans dagboek

Siciliaanse marionet (foto MDB)


Opera dei Pupi

Laat ik de ochtend beginnen zoals ik de vorige avond ben geëindigd. Met een lofzang op de heerlijkheden van de tafel.
Vanmorgen vroeg rook ik de scherpe geur van koffie door het hele huis.
‘Wat jammer dat de Mokabon niet langer in Italiaanse handen is,’ zegt Nomade.
Ze vertelt verder. Over de zeer speciale soorten koffie die je er indertijd kon krijgen. Met als summum kopi loewak gemaakt van bonen ontstaan doordat de Indonesische koffierat ze na het eten van koffiebessen heeft uitgescheiden. Het lijkt mij niet erg appetijtelijk.
Na het ontbijt worstelt Nomade met de grote schapenbout die zij in de Sleepstraat heeft gekocht. Ze snijdt hem vakkundig open. En propt er vervolgens gezouten ansjovis en een handvol rozemarijn in. Daarna begint ze aan de peertjes gevuld met veenbessen.
Op de achtergrond klinkt muziek van Antonio Vivaldi uitgevoerd door het Venetiaans Barokorkest: Le Quattro Stagioni. De titel klinkt als het soort pizza dat wij vroeger meestal bestelden.

Toen we deze zomer in onze caravan verbleven, begaf ik mij elke morgen naar het kleine stadje Spa. Daar kocht ik bij de man die ik gaandeweg Krantenman ben gaan noemen mijn ochtendkrant.
Krantenman beweegt zich als een marionet heen en weer op een smal oppervlak van amper enkele meter. Maar het lijkt hem helemaal niet te deren. In een vorig leven werkte hij immers als ingenieur in de weidsheid van de woestijn.
We bezochten toen het slot Reinhardstein. Daar zagen we een hele collectie marionetten. Waaronder levensgrote exemplaren van een soort ridderfiguren die oorspronkelijk uit Sicilië afkomstig zijn.
‘Maar dat zijn de poppen die jij indertijd van straat hebt opgeraapt,’ zei Nomade toen.
En inderdaad. Een ervan heb ik nog altijd bewaard. Het is een houten pop waarvan het gezicht zeer realistisch is beschilderd. De pop draagt boven een met zilverdraad gestikte wapenrok een koperen harnas, een gevederde helm, zwaard en schild en is een figuur uit de Opera dei Pupi.

zondag 7 december 2014

Italiaans dagboek

Still uit 'Il mio viaggio in Italia' (foto MDB)


Pomodoro

Ik was zeventien en las in het werk van Mario Puzo. Le parrain of The Godfather. Het boek waarop Francis Ford Coppola later zijn gelijknamige en beroemde driedelige filmreeks baseerde. Met in het eerste deel als hoofdrolspeler Marlon Brando. Die al schitterde in ‘The wild one’, een film over de doelloosheid van de Amerikaanse jongeren in het begin van de jaren 1950. Brando sprak hees en had volgens de overlevering tussen tanden en kaken watten gepropt.
In het derde deel heeft Michael Corleone, gespeeld door Al Pacino, de macht uit handen gegeven. Hij wordt verteerd door  de broedermoord die hij heeft gepleegd en wil maar één ding: dat zijn neef de interesse voor zijn dochter definitief achterwege laat.
De neef is jong en knoopt opnieuw aan bij de traditionele middelen van de georganiseerde misdaad: het meedogenloze geweld. Tijdens een operavoorstelling op Sicilië waar de zoon van Michael de hoofdrol speelt, worden één na één de vijanden op een gewelddadige wijze uitgeschakeld.
Ik krijg opnieuw koude rillingen wanneer ik denk aan de scène op de trappen van het Teatro Massimo in Palermo waar Michaels dochter (Sofia Coppola) door een schot uit een geweer wordt geraakt. Hoe zij eerst niet lijkt te beseffen dat de dood haar heeft ingehaald. De onontkoombaarheid van te behoren tot de clan van de Corleones.
The Godfather heeft het beeld over de georganiseerde misdaad in Amerika en Italië bepaald. Donker. Romantisch.
Deze week keek ik naar ‘Goodfellas’ van Martin Scorsese.
Een van de figuren die leeft van de misdaad trouwt met een Joods meisje. Op de bruiloft maakt het meisje kennis met zijn ‘familie’.
‘Alle jongens blijken hier Peter of Paul te heten. En alle meisjes Maria.’
De verering van Maria, de familie en de moederbinding. Het zijn steeds terugkerende motieven in de mediterrane culturen.
In de film belanden enkele van de misdadigers in de gevangenis. Ze genieten er van allerlei privileges. Zo mogen ze zelf koken. Het is aandoenlijk om te zien hoe een van hen knoflook snijdt. Precieus en fijn. Met behulp van een scheermesje.
Het scherpt mijn appetijt. Ik kook spaghetti. Maak saus klaar zoals ik die heb leren kennen in Italië. Dat wil zeggen met gedroogde zongerijpte tomaten. Een klein doosje pomodoro en veel look. Daar boven op strooien we vers geraspte Parmezaan. En drinken er een half flesje Siciliaanse wijn bij. De hele nacht geniet ik nog na van de scherpe looksmaak.

zaterdag 6 december 2014

Italiaans dagboek

Detail poort opera Gent (foto MDB)
Bravo, bravo!

Gisteren gingen we naar de opera. Op het programma stond een uitvoering van Khovansjtsjina, een opera van Modest Moesorgski. In een bewerking door zijn landgenoot Dmitri Sjostakovitsj.
In 1975 werd de beroemde film Pantserkruiser Potemkin van Sergej Eisenstein voorzien van delen van de symfonieën van Sjostakovitsj. Wat mij ertoe brengt Khovansjtsjina een revolutionaire opera te noemen, die in de instrumentatie van Dmitri Sjostakovitsj voor het eerst werd opgevoerd op 25 november 1960 in het Kirovtheater in Leningrad.
Het verhaal situeert zich op het einde van de zeventiende eeuw. In de troebele tijd net voor de hervormingsgezinde tsaar Peter de Grote in Rusland de troon bestijgt. Allerlei fracties strijden om de macht en staan elkaar daarbij naar het leven.
Reusachtige wijzers van een klok tonen de verschillende episodes aan. De schaduwen van de figuren worden zoals in de Duitse expressionistische film uitvergroot en vertekend.
Groots is de prestatie van de Russische zangers. Wat een kracht brengt de basstem voort van Ivan Khovanski, de leider van een wreedaardige militie die Moskou teistert. Al te menselijk is de rol van Marfa, minnares van diens zoon, die zich ondanks zijn vernederingen over hem ontfermt.
Indrukwekkend is de slotscène waar de oud gelovigen overgaan tot een collectieve zelfverbranding.

Ik geniet van de prachtige zalen. Met vrouwenbeelden die de zoldering schragen. Zoals in de tempels van het oude Rome.
Op het plafond van de operazaal lees ik de namen van beroemde theaterauteurs zoals Schiller en Shakespeare. Daaronder de namen van musici: Weber en Bellini.
Tijdens de pauze ontmoet ik een vroegere professor in de Duitse taal.
‘Wat ik mij nog herinner,’ vertel ik, ‘ is de les die je gaf over de Duitse orthografie in de periode van de barok.’
De professor draagt een Goethelok. Bij het begroeten buigt hij steeds licht voorover. Zijn de barok en de opera niet ontstaan in Italië. Het land waar emoties hun gelijke niet kennen?
Op het einde van de opvoering krijgen de uitvoerders van het publiek een staande ovatie.
Hier en daar wordt geroepen: ‘Bravo, bravo!’.

vrijdag 5 december 2014

Italiaans dagboek


Achterkant Fiatgarage Gent (foto MDB)
  
Fiat

Wanneer ik mijn ogen open doe, krijg ik het relaas te horen van Nomades nachtelijke lectuur.
‘Weet je, van Torino hebben we nog de helft niet gezien,’ begint zij.
‘Die Schot op de camping had gelijk dat we zeker de Fiatfabrieken hadden moeten bezoeken.’
‘Was dat niet die Nederlander op klompen?’ antwoord ik.
‘Neen, neen, het was de Schot.’
De Schot was in het midden van de nacht op de camping in Torino gearriveerd. Hij en zijn vrouw waren met hun kleine caravan op weg naar een zomers huis aan de kust. Tot hun auto het begaf. En zij getakeld moesten worden. Hun caravan werd opgetild en samen met hen naar de camping gebracht met uitzicht over de Po en de hele stad. Maar voor dit alles kon geschieden, moesten onze twee Schotten het nog meemaken dat zij gezeten in hun caravan op een rond punt belandden.
‘Mangiare,’ zei de trucker tegen de twee in hun caravan.
Etenstijd. En dus moesten onze onfortuinlijke Schotten, vooraleer verder te rijden, in hun caravan boven op de takelwagen, de trucker eerst rustig zijn maaltijd laten afwerken.

Nomade vertelt mij over de teloorgang van de Fiatfabrieken in de jaren tachtig.
‘Eerst waren er de klassieke acties, stakingen enzovoort,’ steekt zij van wal.
‘Toen de arbeiders echter zagen dat die geen effect hadden, gingen sommigen radicaliseren. Dat was ook normaal. Voor hen was de fabriek hun hele leven.’
Ik denk aan het toneelstuk dat we hebben gezien op het theaterfestival van Spa, getiteld Métallos et dégraisseurs. Waarbij dégraisseurs een eufemisme is voor bazen met als enige opdracht het staalbedrijf af te slanken tot er uiteindelijk niets meer van over blijft. Het stuk is gebaseerd op interviews en gaat over de zoveelste generatie van staalarbeiders die altijd gewild heeft dat hun kinderen het beter zouden hebben dan zij. Tot hun fabriek wordt overgenomen en uitverkocht.


donderdag 4 december 2014

Italiaans dagboek

Ginkgoblaadjes (foto MDB)


Ginkgo biloba

Ach Nomade, wat een heerlijke tijd beleefden wij in dat zoete land Italië!
Deze morgen gingen we samen wandelen. We passeerden een exemplaar van de ginkgo biloba. Een heerlijke herfstkleur straalde uit deze boom.
‘Het is alsof hij licht geeft!’ zei je.
In de tuin van zijn woning in Weimar plantte Goethe een exemplaar van deze zeldzame boom. Later verzamelde hij twee van de in de herfst goudgeel gekleurde blaadjes. En kleefde ze kruiselings onder het gedicht dat hij in 1815 schreef voor Marianne von Willemer. Dat hij toepasselijk ‘Ginkgo biloba’ noemde. En waarin hij zijn liefde voor Marianne vergeleek met de hartvormige blaadjes.

In het gedicht vertelt Goethe hoe dit blad op een geheimzinnige wijze aanleiding geeft om te onderzoeken. Is er sprake van één levend wezen dat zich zelf in twee heeft gesplitst? Of zijn het twee afzonderlijke blaadjes die er zo uitzien dat ze als één geheel verschijnen?

‘Zijn ze beide uitverkoren
dat men ze als één herkent?’

Via de metafoor van het ginkgoblad verwijst Goethe naar zijn liefde voor de veel jongere Marianne.

 ‘Voel je niet aan mijn lied
dat ik één ben en toch weer twee?’


woensdag 3 december 2014

Italiaans dagboek

Goethe in zijn Romeinse woning (Tischbein)
(foto MDB)
Wilhelm Meister

Wat een aangename uren bracht ik door in het gezelschap van Wilhelm Meisters leerjaren!
Na Het lijden van de jonge Werther is dit Goethes tweede roman, waarin hij de ontwikkeling beschrijft van Wilhelm. Een jongeman die tegen de zin van zijn ouders kiest voor het theater. Met het geld bedoeld voor een zakenmissie trekt Wilhelm de wijde wereld rond. Hij sluit zich aan bij verschillende theatergezelschappen. Ontmoet de vreemdste figuren zoals de harpspeler en het meisje Mignon.
Hoe mooi is het lied gezongen door Mignon.

‘Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn,
Im dunkeln Laub die Gold-Orangen glühn,’

Goethe schetst in dit gedicht een ideaal beeld van Italië. Het land waar de citroenen en appelsienen zomaar aan de  bomen groeien. Waar de lucht altijd blauw is en een zachte wind waait. In dat verre land geurt het naar mirte en laurier. De daken rusten er op zuilen en marmeren beelden kijken je aan. Er zijn bergen en nevels. Waarin een muilezel zijn weg zoekt. Grotten vind je er en holen. O wat verlangt Mignon daar naartoe te gaan.
Ken je het wel? Als je dat land kent, dan wil je er zeker naartoe. O, mijn geliefde laten we samen wegtrekken.
Romantische zielen gingen zich toentertijd kleden en gedragen als Mignon. Zoals de dichteres uit de romantiek Bettina von Arnim.
Hetzelfde gebeurde met Werther. Meer nog, in navolging van Werther ontstond in Duitsland een ware golf aan zelfdodingen. Het noopte Goethe ertoe in latere edities een voorwoord toe te voegen.

‘En jij goede ziel, die net als hij dezelfde drang voelt, vind troost in zijn lijden. En laat dit boekje je tot vriend zijn, wanneer je door het lot of door je eigen schuld geen betere vriend kunt vinden.’