zondag 18 januari 2015

Galerij Soubrykamelen

Frank DC (St-Rochuscollege, Sint-Niklaas 1965)
Johan P (St-Amandusschool, Meulebeke)
Marc VC (Sint-Jorisschool, Ninove)





zaterdag 17 januari 2015

Italiaanse herinneringen

Macaroni Soubry Huis van Alijn (foto MDB)


Soubry

In de film La grande bellezza komt een merkwaardige scène voor. De auteur en journalist Jep Gambardella is met zijn uitgeefster, een van gestalte kleine vrouw, in een zakelijk gesprek verwikkeld. Plots onderbreekt de vrouw hem met de vraag ‘Wat vind je van de minestrone?’
Samen eten is voor Italianen een belangrijk gegeven. Net zoals de gastvrijheid. Minestrone is een begrip uit de middeleeuwen. En slaat op de dikke soep die de monniken in de Italiaanse kloosters elke dag opnieuw klaarmaakten. Ze gebruikten hiervoor de groenten en kruiden uit de kloostertuin en serveerden ze aan de reizigers. Vandaar het woord minestrone, afgeleid van ministrare of helpen.
In de neorealistische film Francesco, giullare di Dio van de Italiaanse cineast Roberto Rossellini uit 1950 wordt dit duidelijk geïllustreerd. Wanneer een van de monniken die niet mee mag om te prediken ineens soep maakt voor veertien dagen.
In het boek Ciao Belga van Sara Van Poucke over de geschiedenis van de Italo-Belgen klagen twee oudjes van Italiaanse afkomst over het eten dat hun in het bejaardentehuis wordt opgediend.
‘Ik heb mijn hele leven Italiaans gegeten en op mijn oude dag moet ik dít naar binnen werken? Mijn maag kan dat niet aan, dus laat ik het staan.’
Ze hebben het meer bepaald over hoe in ons land de Italiaanse gerechten worden klaargemaakt.
‘”Ze doen wel moeite, hoor’, vergoelijkt Giorgino. ‘We kunnen pasta krijgen. Maar plakken dat die doet!’ Hij trekt een vies gezicht. ‘En ze koken ze in water zonder zout en dienen ze op zonder saus of kaas. Dat is niets voor ons.’”
Mijn moeder maakte vroeger nooit spaghetti klaar. Wel soms macaroni. Met kaas en hesp. Zoals voorgeschreven in ‘Ons kookboek’ van de K.A.V. brak ze de macaroni in stukken van ongeveer drie centimeter.
Het zijn niet de Italianen die bij ons de deegwaren introduceerden. Wel een ondernemend West-Vlaams familiebedrijf uit Roeselare, in 1921 gesticht door Joseph Soubry.
Op de verpakkingen van Soubry vond je vanaf 1949 spaarpunten waarmee je prenten van de Meesters der Schilderkunst kon verzamelen. En op de Wereldtentoonstelling in 1958 had het bedrijf een futuristisch ogende stand.
In de jaren 1960 en ’70 verscheen in heel wat lagere scholen op de speelplaats plots een kameel. Het dier was aan twee kanten getooid met een groot reclamedoek ‘Macaroni Soubry’. De kinderen werden boven op de kameel gehesen. Waarna er van hen, fier gezeten boven op het reuzegrote dier, een foto werd getrokken.

vrijdag 16 januari 2015

Italiaanse herinneringen

Prinses Paola op een blikken doos Huis van Alijn (foto MDB)


Dolce Paola

In zijn autobiografie ‘Rocco’ vertelt de charmezanger Rocco Granata over het werk dat Italiaanse arbeiders in de Limburgse kolenmijnen verrichtten. Een van die Italiaanse werkkrachten was zijn vader.
In 1946 sloten de Belgische en de Italiaanse overheid een protocol. Hierin werd bepaald dat Italië 50.000 mijnarbeiders zou leveren. In ruil ontving Italië drie miljoen kilo steenkool per jaar. In werkelijkheid ging het enkel om een eerste kooprecht. Italië was immers als verliezer uit de oorlog gekomen en verkeerde niet in de positie om harde eisen te stellen.
Overal in het zuiden van Italië hingen roze affiches om arbeiders te lokken. In België zouden ze in moderne omstandigheden worden tewerkgesteld. De Italiaanse mijnarbeiders kwamen echter terecht in barakken die nog door de naziebezetter waren gebouwd. Onder de grond werkten ze samen met voormalige Duitse krijgsgevangenen. Waardoor er een soort steenkolenDuits ontstond. Een mengtaal tussen Nederlands en Duits.
De Italianen kregen een contract voor vijf jaar. Bij contractbreuk werden ze via het Klein Kasteeltje gerepatrieerd. Toen het de Italianen duidelijk werd welke soort arbeid ze moesten verrichten, keerden velen na enkele weken terug naar Italië. Sommigen bleven zelfs maar een dag. Van de 140.000 Italianen die in het naoorlogse decennium naar België kwamen, bleven er minder dan 100.000 over.
De ochtendploeg begon om zes uur. Aan een duizelingwekkende snelheid werd in kooien van zestien mannen honderden meters diep afgedaald. Daarna moesten zij in het pikdonker in gangen die vaak niet hoger waren dan vijftig centimeter de zware steenkoolblokken loshakken. Er was het methaangas. En het zwarte stof. Waardoor veel mijnwerkers voor hun pensioenleeftijd aan stoflong zouden overlijden.
En dan kwam op 8 augustus 1956 de mijnramp in Le Bois du Cazier bij Marcinelle. 262 lichamen werden bovengehaald. Waaronder 136 Italianen. Enkele dagen later zegde de Italiaanse regering het verdrag met België op.
In deze context trouwde in het jaar 1959 prins Albert met de Italiaanse prinses Paola Ruffo di Calabria. In zijn autobiografie vertelt Rocco Granata dat het huwelijk door de Italianen in België werd gevierd als een bruiloft in de familie.
De zanger Salvatore Adamo, oorspronkelijk afkomstig uit Sicilië en net als Rocco Granata een mijnwerkerszoon, schreef er in 1965 een lied over Dolce Paola. Of lieve Paola.

‘Paola

nella sua maestà
ho visto in verità
una colomba fragile’

Paola, je bent een prinses. Maar in werkelijkheid ben je teder als een duif.
De jonge en mooie prinses Paola verleende een identiteit aan de Italianen in migratie.

donderdag 15 januari 2015

Italiaans dagboek

Still uit G. Tornatore, Nuovo Cinema Paradiso (foto MDB)


Rocco

Ongelooflijk aangrijpend is de tekst van het lied Paisellu Miu van de charmezanger Rocco Granata.
De zanger en muzikant schreef de tekst in het Calabrese dialect. In slechts enkele strofen vat Rocco Granata zijn levensverhaal samen, dat verscheen onder de titel ‘Rocco’.
Paisellu Miu of Mijn dorp begint met de melancholie van de migrantenzoon.

‘Me sentu sulu sulu
Luntanu, luntanu
Da terricella mia
Luntana, luntana’

Vervolgens richt Rocco zich tot zijn vader. Het sentiment vervaagt. In de zang klinkt de kracht van de opstandigheid.

‘Zonder mij iets te vertellen  
Ik was pas tien en een half jaar oud
Nam jij me weg
Van waar ik speelde’

De volwassen man probeert zijn vader te overtuigen van wat diens beslissing bij het kind teweegbracht. De zang wordt smekend. Begrijp mij dan toch, alsjeblief.
Je voelt de pijn van het kind. Dat zich niet kan verzetten tegen de beslissing van de vader.

‘Ik kon niet opgroeien
Waar ik was geboren’

Daarna volgt een verschrikkelijke aanklacht. Die echter onmiddellijk wordt vergeven in een berusting.
Moeder en kind worden door de vader meegesleurd in een verhaal van migratie. Van het diepe zuiden van Italië naar de Limburgse barakken voor de mijnwerkers. Waar de straten geen namen hadden. Alleen maar een nummer. Zodat ze leken op een groot getto. Na drie jaar onder de grond mochten de Italiaanse mijnwerkers hun gezin laten overkomen. Dat maakte hen honkvaster en tot meer betrouwbare werkkrachten. Maar de vader van Rocco kon zo lang niet wachten. Van zijn karige loon, dat hij trouw elke maand naar zijn familie in Calabrië opstuurde, spaarde hij zo lang tot hij er treintickets mee kon kopen waarmee hij zijn gezin naar België kon laten komen.

‘Papa, misschien maakte je een grote fout
Voor mij en voor mama,
Maar zo ging het nu eenmaal’

‘Papa, forse ai sbagliatu
Pe mie e mamma, e cosi sia’

Het lied doet denken aan de traditionele Calabrese volksliederen. Een paar keren slaat de stem van de zanger over. Wanneer hij de laatste strofe zingt, krijg ik een krop in de keel. Ten slotte is dit een sentimentele reis door Italië.
‘Je bracht ons naar een plaats waar de zon in het niets verdwijnt tegenover de zon waar ik opgroeide. De hemel is hier donker en grijs.’
En daarna, hoe autobiografisch. ’In de eerste strofe die ik zong, twijfelde ik nog. Maar nu weet ik dat jij de juiste beslissing nam.’ Het kind kon enkel het eigen perspectief zien. Maar eenmaal volwassen begrijpt het de drijfveren van de vader. ‘Je deed het voor mij. En ik zal dit nooit vergeten zolang als ik leef’.

‘Chillu ca fattu tu per mie
U me scordu tutta a vita mia’

Wie kan bij zoveel sentiment ongevoelig blijven?



dinsdag 13 januari 2015

Italiaans dagboek

Illustratie uit Wilhelm Müller, 'Die Winterreise' (foto MDB)


Caffè tedesco

De beroemde Duitse dichter Heinrich Heine noemt Wilhelm Müller, de auteur van ‘Die Winterreise’, in een adem met Goethe.
‘Ik ken geen lieddichter waar ik meer van houd, behalve Goethe,’ schrijft hij in een brief aan Müller.
Net zoals Goethe maakt de romantische dichter Müller een reis naar Italië. Houdt hij zich op aan het hof - Müller in Dessau, Goethe in Weimar - en engageert hij zich in de politiek.
Na de nederlaag van Napoleon in Rusland neemt Müller deel aan de opstand in Pruisen tegen de Franse bezetting.
In 1817 trekt Müller in het gezelschap van de Pruisische baron von Sack naar Italië. Daar aangekomen lopen hun interesses uiteen. Müller die klassieke filologie studeerde, geraakt er in de ban van de mediterrane leefsfeer. Van dan af heeft hij nog weinig belangstelling voor het klassieke Italië.
De volgende maanden verblijft hij daar samen met zijn vriend Kalckreuth, die te voet over Zwitserland en Frankrijk naar Italië is gekomen. In Rome bevinden zich op dat moment heel wat Duitse kunstenaars. Daarvan hebben velen in Duitsland deelgenomen aan de onafhankelijkheidsoorlogen. Ze leven als bohemiens en vinden elkaar in Caffè tedesco of het Duits koffiehuis.
Terug in Duitsland vindt Müller slechts rijp, sneeuw en nevel terug. En vooral een kleinburgerlijkheid.
Die koude en eenzame vervreemding drukt Müller uit in ‘Die Winterreise’, getoonzet door Franz Schubert.

‘Als vreemde ben ik gekomen
Vreemd trek ik er weer op uit.
In mei kon ik mij tooien
met weeld’rige bloementuil.
Het meisje sprak van liefde
Haar moeder zelfs van trouw -
Nu is de wereld droevig,
De weg gehuld in sneeuw.’

Wie de Italiaanse reis van Goethe leest, wordt slechts zelden ontroerd door zijn ervaringen met de Italianen. Hier is de klassieke Goethe aan het woord. Die vooral geïnteresseerd is in kunst en cultuur. En zijn kennis etaleert. Zich laten leiden door zijn indrukken en die zijn leven laten bepalen, is er voor de gevestigde auteur en minister van het groothertogdom Sachsen-Weimar niet meer bij.
Goethe is de Sturm und Drang tijd al lang ontgroeid. Het leidde ook tot een verwijdering met zijn jeugdvriend Jakob Michael Reinhold Lenz.
Goethe in Italië. In 1786/87 schilderde Tischbein Goethe tegen een klassieke achtergrond van ruïnes, friezen en kapitelen. Het is het beroemde schilderij waarop Goethe een reusachtige hoed draagt.
De gelijkenis met een van de illustraties in ‘Die Winterreise’ van Wilhelm Müller is opvallend. Ludwig Richter tekende een herder in dezelfde liggende positie als Goethe. De herder draagt eveneens een opvallend ronde hoed. Beiden strekken het linker been uit. In ‘Die Winterreise’ is de achtergrond volks -een eenvoudig bruggetje- en wordt de volle natuur getoond. De twee figuren vormen ook elkaars spiegelbeeld.