zaterdag 4 mei 2013

De romantische liefde

Goethe en Friederike museum Sessenheim

Vandaag beste lezer, stond helemaal in het teken van Goethe.
‘Sie hat mich schön geliebt. Mehr als ich’s verdiente,’ schrijft Goethe in Dichtung und Wahrheit.
Hij heeft het over Friederike Brion. De 19-jarige domineesdochter in Sessenheim.
Sesenheim, zei onze professor in de Duitse literatuur. Bovendien met een West-Vlaams accent.
Waardoor ik ten langen leste helemaal niet meer wist wat nu de juiste schrijfwijze was van het dorp ten noorden van Strassburg.
Goethe reed te paard naar het dorp. Hij werd er verliefd op de mooie, jonge Friederike. Samen maakten ze wandelingen door het woud. Tot wat nu de Goethe-Eiche wordt genoemd. Of naar de tumulus. Dat is een Keltische begraafplaats even buiten het dorp. Goethe zelf verwijst naar de tumulus als een van de bestemmingen van de wandelingen met Friederike.
In de humaniora wist mijn leraar Duits te vertellen dat Goethe samen met Friederike in de dorpskerk in de biechtstoel kroop. Ik bestudeer de biechtstoel aandachtig. En zie dat hij eigenlijk bestaat uit drie naast elkaar staande oude eikenhouten stoelen. Een betere gelegenheid voor het verliefde koppel om zich te verstoppen konden ze niet bedenken. In een heilige plaats als de dorpskerk, die in die tijd zowel voor de katholieke als voor de protestantse eredienst werd gebruikt. Hiervoor hadden de dorpelingen twee ingangen voorzien. En een handig  verplaatsbaar altaar. Met opzij een handvat zodat het altaar bij het begin van de protestantse eredienst aan de kant kon worden geschoven.
Was wat Goethe en Friederike deden, met name samen in de biechtstoel kruipen een vorm van heiligschennis? Alhoewel de liefde en zeker de romantische liefde het mooiste is wat we op de aarde kunnen beleven.
Dan bakten Nomade en ik het wel bruin. Lang geleden, we moeten zo oud als het verliefde koppel uit Sessenheim geweest zijn, waren wij in een klein dorp in Oostenrijk.
Omdat we ons hondje bij ons hadden en tegelijk het pittoreske dorpskerkje wilden bezoeken, waagden wij het erop om ons hondje mee de kerk binnen te smokkelen.
Wat we evenwel niet hadden voorzien was dat bij het begin van de mis ons hondje luid zou beginnen te blaffen. Geschrokken als hij was bij het schrille luiden van de bel die het begin van de mis aankondigde.   
‘Woehwoeh,’ klonk het antwoord van onze hond.
Sommige aanwezige gelovigen moesten erom lachen. Maar een man kwam woedend naar ons toe. De man was gestoken in een traditionele klederdracht. Hij zag er een hoogwaardigheidsbekleder uit.
‘Ein Hund in der Kirche! Sind Sie wahnsinnig?’
Daarop werden we hardhandig aan de kerkdeur gezet. Waarna de leiband van ons hondje dat we aan de houten bank hadden vastgemaakt ons achterna werd gesmeten.
De waanzin. Bij ons hoorde die alleszins niet. Wel een naïef idealisme. Waanzin kenmerkte echter Jakob Michael Reinhold Lenz. Hij trok in de winter door de bergen. Rust vond hij min of meer in het dal waar de sociaal hervormer Oberlin werkzaam was.

1 opmerking:

  1. Mooi verhaal Vosje, dat van jullie in de kerk wist ik nog niet (gniffel)

    BeantwoordenVerwijderen