zondag 21 december 2014

Italiaans dagboek

Still uit 'Il mio viaggio in Italia' (foto MDB)


La grande bellezza

‘Hij is gek geworden,’ zeggen zijn familieleden wanneer een oude opa zich bij Franciscus wil aansluiten (Rossellini, Francesco, giullare di Dio, 1950).
‘Francesco,’ roept de man in opperste verrukking, terwijl kinderen en kleinkinderen hem proberen tegen te houden.
Wanneer de volgelingen er zoals elke dag worden op uitgestuurd om te prediken, krijgt een van de monniken als opdracht om het avondeten klaar te maken. Omdat de monnik er is op gebrand om ook in de omliggende dorpen te preken, maakt hij onmiddellijk de hele beschikbare voorraad klaar in een reusachtige pot.
Op het einde van de film draagt Franciscus zijn volgelingen op om elk zijn weg te gaan.
‘Draai rond tot je er duizelig van wordt en ga dan naar de richting waar je neervalt,’ zegt hij.
De monniken noemen een voor een de plaats op waar zij naartoe zullen gaan: Siena, Firenze, Pisa, enzovoort.
Wanneer het de beurt is aan Giovanni, de oude man, zegt hij ‘Ik ben in de richting gevallen van het vogeltje dat daar in de boom zit.’
Franciscus en zijn medebroeders ontfermen zich over de oude man. Zij gaan heel liefdevol met elkaar om.
Het mededogen met de armen is een van de constanten in de Italiaanse cinema. Het heeft te maken met het neorealisme natuurlijk. Met de keuze om enkel met amateurspelers te werken. Uit geldgebrek. Maar ook omdat in de armoede zoveel schoonheid verborgen ligt.
‘Fellini legde een staalkaart van karakterkoppen aan,’ zegt Nomade, ‘maar hij toonde zijn figuranten en acteurs altijd in hun trots. Fellini slaagde erin om hun een uitstraling te geven.’
Het sterkst komt het mededogen aan bod in ‘Il vangelo secondo Matteo’ van Pier Paolo Pasolini. De beroemde cineast filmde het leven van Jezus volgens het evangelie van Mattheus. De figuur van de oude Maria liet hij spelen door zijn eigen moeder. Jezus die zich ontfermt over de kreupelen en de melaatsen.
Maar ook in ‘La grande bellezza’ van Paolo Sorrentino. De film opent met een reusachtige party op een dakterras met uitzicht over het nachtelijke Rome.
‘Toen ik zesentwintig was, kwam ik naar Rome,’ zegt het hoofdpersonage Jep Gambardella. ‘Ik wilde de koning van het nachtleven zijn,’ vervolgt hij.
De man is een schrijver. Die er niet meer in slaagt om zijn beroemde debuut te herhalen.
Tot hij geconfronteerd wordt met een figuur die eruit ziet als Moeder Teresa. Oud als ze is sleept zij zichzelf de trappen op van een calvarie.
Dit beeld geneest de schrijver van zijn decadentie. Waardoor hij opnieuw de moed krijgt om aan te knopen bij zijn debuutroman.

1 opmerking: